Het Groot Dictee van Rozenburg
Een mens mag toch dromen

De twaalfde editie van Het Groot Dictee van Rozenburg stond geheel in het teken van een beschouwing van het afgelopen jaar, deels fictief, doch met veel Rozenburgse accenten. Een heel leuk verhaal!

Auteur Lizi van Vollenhoven, voormalig huisarts op Rozenburg schreef en presenteerde het dictee. Niet zoals we dit in de afgelopen jaren gewend waren als 200 woorden tellend dictee, maar als invuldictee.
In de strijd om de wisselbokaal stonden ook deze editie dicteespecialisten buitenspel, maar het dictee werd voor het eerst wel op twee niveaus aangeboden. Voor de gewone deelnemers waren er 51 in te vullen woorden, voor de experts waren er 9 meer. Ook de gewone deelnemers mochten deze plaatsen invullen, voor hen konden deze woorden als shoot-out worden gebruikt, bij een eventueel gelijkspel. Voor de experts waren er nog 8 aparte shoot-outwoorden.

De theaterzaal van Muziektheater De Ontmoeting vulde zich met twaalf enthousiaste deelnemers. Als altijd heerste er een ontspannen sfeer, meedoen is belangrijker dan winnen en ondertussen kun je er ook nog iets van leren!
De deelnemers, acht vrouwen en vier mannen, de jongste 27 en de wijste 83, met een gemiddelde leeftijd van 56, scoorden gemiddeld 60,6 procent van de gevraagde woorden goed. Het bleek al met al, ook voor de specialisten, behoorlijk pittig!

Het lukte Betsy Ohlsen haar titel te prolongeren, op de voet gevolgd door Judith de Heer en Robin Negenborn. Zij hadden slechts één vergissing meer begaan.
Van de deelnemende specialisten ging de eer naar Rein Leentfaar.

Een mens mag toch dromen


Het was zo’n voorzomerdag om hoop uit te putten. Een beetje heiig, nauwelijks wind, en gezang van vogels als wekker. Wie zou daarvan niet direct een goed humeur krijgen? Wel, dat was natuurlijk het aartschagrijnige  gemeenteraadslid in spe Pim Bengel, die hoopte op de kunst- en cultuurportefeuille van deelgemeente Rozenburg. Dan zou hij korte metten maken met al die geldverslindende flauwekul. Hij snapte niet waarom hij zo weinig bijval kreeg. Zijn acuïteit was toch algemeen bekend? Had hij niet haarfijn duidelijk gemaakt dat frivole muziek en zang levensgevaarlijk waren? Werden er bij blazen en strijken geen miljoenen nanopartikels verspreid in de lucht, die bij de toehoorders naar binnen drongen en hen slaaf maakten van Microsoft? Waarom geloofde toch niemand hem?

Hij douchte, streek wat extra extra sterke gel in zijn dreadlocks en baard, trok zijn shabby jeans aan en slofte naar de keuken. Terwijl zijn moeder zijn ontbijt voor hem klaarmaakte, –een ham-kaascroissant, een zacht ei en yoghurt met muesli en chiazaad–, zat hij zó voortdurend te zeuren dat het goeie mens het zat werd. Ze bonjourde hem de deur uit met een: “Ga maar een eind fietsen, daar knap je van op, ouwe zanikpot. Hup, naar Landtong De Punt en terug. En je komt pas weer binnen als je wat vrolijker doet.”     

Mokkend stapte hij op zijn hallelujafiets. Alles aan de fiets piepte en rammelde, maar oliën, daar deed hij niet aan. Dat was voor softies. En een bel of verlichting had hij trouwens ook niet, dat was veel te bourgeois. Links en rechts van hem groeide fluitenkruid en vroege akoniet, maar daar keek hij niet naar. Als hij had geluisterd, –maar dat deed hij niet–, had hij een in Nederland uiterst zeldzame cirlgors kunnen horen.

Dankzij het wauwe windje was hij al snel bij het meest noordwestelijke deel van het eiland, waar hij zijn rammelkar in het gras legde en bij de plaatselijke uitspanning een cafeïnevrije cappuccino met havermelk bestelde en een sjekkie rookte. (Hij had immers bewijzen gevonden op Facebook dat shag een beschermende werking bood tegen hersenspoeling door de overheid.) Hij keek naar links en zag de ferry uit Hull die langzaam voorbijgleed alvorens zich minutieus tegen een van de kades aan te vlijen. Aan zijn rechterkant kon hij de daken van Hoek van Holland-Dorp zien.  

Hij wilde het niet toegeven, maar zijn humeur was inmiddels ietsje beter. Hij pakte zijn vehikel en aanvaardde de terugreis. De wind, nog steeds niet sterk, hoogstens 3 Bft, had hij nu tegen. Ter hoogte van de Maeslantkering meende hij muziek te horen, maar hij twijfelde nog even aan zijn oren. Toen hij eenmaal dichterbij was, was er geen ontkennen meer aan, er klonk inderdaad muziek. Levensgevaarlijk! Luider en luider klonk het. Hij werd toch wel nieuwsgierig. Luider en luider. En toen zag hij het.

Voor Muziektheater De Ontmoeting stond de Rozenburgse Harmonievereniging UDI te blazen en te slaan dat het een lieve lust was. Honderden mensen stonden met blije gezichten te luisteren naar het tarara sjing-boem van de befaamde hoempaband. Slechts enkele besnoten kwamen wat te hoog of te laag uit. In plaats van samenscholingsboetes uit te delen, sprongen de wijkagenten Richard en Dennis haasje-over op de maat van de muziek. Een eindje verder voerden het Rozenburgse mannenkoor en vrouwenkoor een coproductie van
oud-Hollandse liederen op.

De weleerwaarde ds. Voskuil sprak in het openbaar een dankgebed uit en Mgr. Van den Ende zwaaide zonder gêne met een vlaggetje en morste met zijn pistache-ijsje op zijn soutane.  Op het Raadhuisplein zong Canticum Novum het Te Deum van Britten. Zeker elf- van de twaalfduizend vijfhonderdvijftig inwoners van het dorp waren op straat te vinden.  Vele liepen gearmd en een paar waaghalzen zaten zelfs op een bankje bij elkaar op schoot. Een jolige dikkerd was duidelijk al wat sjikker en riep met dikke tong holadijee.

Voor La Caleta deelde Pepe Fernandez verrukkelijke fajita’s uit met een glaasje tempranillo. Rob Oosterlee hees de fiere vlag van Rozenburg, met het wapen in rood en keel, tot hoog in de vlaggenmast. Hiervóór had hij Molen De Hoop al met tientallen ballonnetjes versierd, in kleur uiteenlopend van groen en geel tot  sinopel en karmozijn.

Nog steeds begreep Bengel niet wat er toch in ’s hemelsnaam loos was. Pas toen hij bij de Stadswinkel stond, zag hij de enorme plasma-tv-schermen waarop keer op keer de laatste berichten van het NOS-journaal werden getoond. Hij zag een juichende demissionair minister-president Rutte die samen met Hugo de Jonge de chachacha danste.

Virologe Marion Koopmans, ditmaal met rood-wit-blauw-oranje geverfde wenkbrauwen zoende Ernst Kuipers op zijn neus en Hubert Bruls deed, enigszins moeizaam, de jitterbug. Diederik Gommers en Famke-Louise dronken met twee rietjes uit één glas daiquiri en Jaap van Dissel haalde het ene na het andere schema tevoorschijn waaruit opgemaakt kon worden dat dan toch eindelijk, na zoveel maanden, de pandemie uitgeraasd was.

Zelfs Pim werd blij. Hoera en hoezee!